woensdag 31 oktober 2012

Einde van productschap


Het nieuw te vormen kabinet heeft in het regeringsakkoord vermeld dat de product- en de bedrijfsschappen worden opgeheven. Laat duidelijk zijn dat dit geen nieuw gegeven is, immers in de tweede kamer is eind vorig jaar al een motie aangenomen tot het opheffen van de product- en bedrijfsschappen. De discussie of het erg is of productschappen worden opgeheven is wellicht leuk voor analisten en historici maar voor nu niet ter zake doende.
Waar het om gaat is hoe de zaken geregeld moeten worden zonder productschappen. 
De LTO Vakgroep vollegrondsgroente heeft al sinds jaar en dag aangedrongen op een beperkt aantal taken bij de productschappen. Dat zijn:
- Uitschrijven van verordeningen specifiek voor de sector.
- collecteren van gelden van iedereen om zaken te regelen die iedereen aangaat.
Alle andere zaken behoren door belangenorganisaties, ketenpartijen en ondernemers(groepen) te worden gedaan. Dat het productschap tuinbouw buiten deze basistaken heeft geopereerd, heeft meegewerkt aan de stellingname in dit regeerakkoord. Maar dat is een analyse die nu niet ter zake doende is.
Verordeningen
Voor uitvoeren en uitschrijven van verordeningen zal LTO nadrukkelijker de contacten bij het ministerie van EZ (voorheen EL&I) moeten gebruiken om wetgeving te regelen. Nu is meer wetgeving zeker geen speerpunt van LTO, integendeel. Logischer is om zaken via convenanten, gedragscodes, keuringen of certificeringen te regelen (bijvoorbeeld een knolcyperus verordening in samenspraak met keuringsdiensten en gedragscode voor grondgebruikers). Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemers en LTO om in gesprek te gaan met de omgeving en verstandige afspraken te maken.
Collectief geld
Voor het collecteren van geld is het opheffen van de productschappen het resultaat van een al langer lopend proces in de ontwikkeling tot een nieuwe collectiviteit. Dat is een collectiviteit van kleine collectieven, thema gedreven, oplossingsgericht en flexibel.

Als knelpunten echte knellend zijn is er altijd een mogelijkheid te vinden met belanghebbenden om tot oplossingen te komen. Knelpunten zijn doorgaans economisch van aard dus is er financiële ruimte om deze op te lossen.
Voor innovatie is iets anders aan de gang: De r&d bij ondernemers zit bij Willie wortels die achter de schuur machinetjes in elkaar lassen en gebruiken. Soms zelf, soms samen met de buurman of met het mechanisatiebedrijf en dikwijls zat ook met ketenpartijen. Deze kracht en deze initiatieven gaan de basis vormen voor innovatie in de toekomst. Daar hoort uitwisseling bij binnen gesloten groepen. Financiering van deze initiatieven is divers maar via eigen investeringen gekoppeld aan subsidies of projecten wel degelijk te vinden.
Deze werkwijze zien we al een paar jaar in de vollegrondgroente plaats vinden waarbij LTO Vollegrondsgroente.net in veel gevallen betrokken is. Met het verdwijnen van de productschappen zullen innovators verder voorop gaan lopen. Dat is geen uitholling van collectiviteit maar dat is ontwikkeling van de sector die past bij een opschaling en een steviger positie in de keten.
Dat LTO aansluiting moet houden bij deze voorlopers is vanzelfsprekend. Het helpt als de eensgezindheid binnen de vollegrondsgroentesector ook bij de rest van LTO gaat landen.
Ulko Stoll

dinsdag 18 september 2012

Biologisch <–> gangbaar; onzinnige tegenstelling


De toespraak van Aalt Dijkhuizen bij de opening van het academisch jaar leiden tot scherpe tegenstellingen tussen biologische en gangbaar. Vreemd, maar wel herkenbaar. De stellingname van biologische aanhangers lijkt op een fanatisme dat voorkomt uit een bijna religieuze overtuiging. Het benoemen van de verschillen tussen biologisch en gangbaar om tot een conclusie te komen dat een van de twee beter is doet onrecht aan de productiesystemen die in de afgelopen jaren zijn ontwikkeld met hetzelfde doel; voedselzekerheid voor de burger.

Wanneer beide teelten vanuit een marktperspectief worden bekeken dan laat de biologische teelt zien dat het mogelijk is om in een bulkmarkt als groente wel degelijk een onderscheidend segment te ontwikkelen. Een segment met emotie en een specifieke doelgroep. Het biologische segment schept daarmee mogelijkheden voor verdere segmentering.
De gangbare tuinbouw moet dan ook niet gaan lijken op biologisch maar zoeken naar een alternatief onderscheidend vermogen op smaak, herkomst, authenticiteit, modern of gemak. Het uitwisselen van wederzijdse productietechnieken leidt wel tot versterking, maar het image van biologisch gebruiken in de gangbare teelt, leidt tot minder herkenbaarheid van het biologische segment en is daardoor marktverstorend.

Dijkhuizen stelt dat 9 miljard mensen in 2050 alleen maar kunnen eten als de opbrengsten per m2 toenemen. En daar heeft hij gelijk aan, voedselzekerheid blijft van belang. Dat daarbij intensievere teeltmethoden horen is een directe afgeleide van de stelling. Daar hoort geen keuze bij van de ene teeltmethode of de andere maar daar hoort een keuze bij van innovatiesprongen. Andere teeltmethoden, met slimme technieken, met het vakmanschap van de tuinder die niet vanuit tegenstellingen denkt maar vanuit een marktperspectief.

De productietoename 50 jaar geleden is niet gerealiseerd door bestaande technieken te optimaliseren maar door nieuwe technieken toe te voegen op gebied van veredeling, mechanisatie en gewasbescherming. 9 miljard mensen voeden en de wereld in stand houden voor de generaties na die 9 miljard, heeft alle denkkracht nodig. Onzinnige tegenstelling leiden daarbij niet tot oplossingen.

maandag 23 juli 2012

Minder en schraler


De contouren van het nieuwe PT zijn inmiddels geschetst. Daarmee is de onzekerheid voor het voortbestaan van de productschappen niet uit de lucht. Een ding is wel duidelijk; het PT verdwijnt. Of er één productschap voor in de plaats komt of helemaal niets, blijft in de lucht hangen.

Dat er bij het inrichten van een nieuw productschap veel politiek komt kijken is inmiddels ook duidelijk. Dat in de politiek ook niet altijd de goede opties worden uitgewerkt, wordt in het recente voorstel van het kabinet naar de tweede kamer rond productschappen bewezen. Een keuze tussen een ZBO en een PBO is immers geen keuze. Niemand wil een ZBO; de ervaring met de ZBO’s faunafonds en ctgb laat zien dat procedures belangrijker zijn dat klantvriendelijk opereren

Naast dat het voortbestaan van productschappen een politiek item is, kan ook de sector zelf invloed uitoefenen. Na de eerste bijeenkomst van de ondernemingsplatforms van het PT lijkt een aantal leden van deze platforms daar nog niet van doorgrond te zijn. Wanneer leden van de platforms voorstellen dat promotie en imagocampagne onderdeel moeten zijn van collectieve financiering via het PT, geven deze lieden onbewust aan geen geloof te hechten in de toekomst van productschappen.
Er is misschien veel onduidelijk maar één ding is zeer zeker wel duidelijk; het PT of het nieuwe productschap moet veel minder doen dan tot nu toe gebruikelijk is. Minder en schraler; het bedrijfsleven moet zelf verantwoordelijkheid nemen. Zowel politiek als heffingsbetalers accepteren niet dat zaken die de ondernemers en telersverenigingen zelf (zouden moeten) doen, door een overheidsorgaan worden beconcurreert.
De leden van ondernemingsplatforms die bedrijfslevenactiviteiten, collectief willen laten financieren, zijn zelf verantwoordelijk voor versnelde stappen naar de afbouw van welk productschap dan ook.

dinsdag 17 juli 2012

Eigen kracht

In eerdere weblogs ben ik ingegaan op de relatie tussen kwaliteit en promotie. Er blijkt een bepaalde afhankelijkheid tussen deze twee zaken te zijn: pas als je zowel promotie als kwaliteit op het juiste moment inzet, kun je komen tot optimale verkoop van vers producten. Wat me opvalt is dat de roep om promotie harder wordt als de marktprijzen slechter worden. Vreemd want meer promotie en het aanbieden van kwaliteitsproducten levert weliswaar meer verkoop op er is echter maar een tijdelijk effect op het rendement. Het is immers makkelijker om meer groente te produceren dan om meer groente te verkopen. Het middellange termijn effect van promotie, is dat er behalve meer verkocht vooral ook meer geproduceerd wordt. Wanneer er naast promotie niets structureel veranderd zal problematiek met prijsvorming blijven bestaan. Uiteindelijk is de markt niet verantwoordelijk voor rendement op de teeltbedrijven. De teler die weet dat zijn teeltbedrijf zelf onderdeel van de markt is en behoort tot één van de schakels in de keten, ziet mogelijkheden voor zijn bedrijf. Het benutten van de mogelijkheden in de keten en het gebruiken van eigen creativiteit is noodzakelijk om de kans op rendement op het eigen teeltbedrijf groter te maken. Bezinnen op eigen kunnen en uitgaan van eigen kracht is noodzakelijk om scherp te zijn op ontwikkelingen en mogelijkheden. Dat is niet nieuw er zijn voldoende vollegrondsgroentebedrijven die keuzes hebben gemaakt en vanuit eigen mogelijkheden de markt bedienen. Kijk maar rond in de ijsbergsla, broccoli, witlof, aardbeienteelt enz. om te zien welke keuzes bedrijven hebben gemaakt..
Er zijn genoeg partijen die ondersteuning kunnen geven aan dit proces van bezinning. De diverse accountantsbureaus hebben een goed inzicht in collega tuinbouwbedrijven om advies te kunnen geven op financieel gebied. De ondernemerscoaches hebben veel overzicht en inzicht in ondernemerskwaliteiten om als klankbord te kunnen dienen. En ook begeleiders van de betere studieclubs steken energie in het ontwikkelen van een visie op de sector en de keten. Deze visie kan gebruikt worden voor individuele ondernemingsplannen. Alleen als je als teler zelf keuzes maakt en je open stelt voor de keten zal de kans op succes toenemen.
De hoop vestigen op promotie, vaak gebracht door marketingjongens met mooie verhalen, soms gestuurd door het productschap, is hopen op een hittegolf bij twintig graden vorst.

maandag 4 juni 2012

Positief ondernemen

In de ‘teeltgeluiden’ op www.weekbladgroentenenfruit.nl laat witlof teler Egbert Selles optekenen dat hij zijn verwerkingscapaciteit uitbreidt. Tegelijkertijd zegt hij dat hij tekent voor doortrekken van het resultaat van de afgelopen 10 jaar naar de komende tien jaar. De negatieve reacties daar op duiden op groot onbegrip voor het ondernemerschap van deze teler. http://www.gfactueel.nl/Teeltgeluid/Egbert-Selles-1.htm#firstReaction. Selles zou zichzelf voor de gek houden en de witlofteelt zou de slechtste teelt van alles zijn geweest, stellen de anonieme reageerders.

Dit zegt vooral wat over de houding van een aantal figuren; wanneer een teler zich positief uitlaat en vertrouwen toont in zijn eigen ondernemerschap, past dat niet in het door en door negatieve wereldbeeld van een aantal consequente zwartkijkers. Negatief t.o.v. de  tuinbouw en t.o.v. de wereld.

Natuurlijk houdt Selles zichzelf niet voor de gek. Hij heeft ook een gezin, een hypotheek, een bank en een klant die allemaal tevreden moeten worden gehouden. Maar Selles staat voor een type ondernemer die gelooft in eigen kracht en eigen visie. Van dit soort ondernemers zijn er een flink aantal in de vollegrondsgroente. Mannen en inmiddels ook een flink aantal vrouwen die lef hebben en een eigen visie op hun bedrijf en hun bedrijfsvoering. Een oordeel over de perspectieven van het bedrijf waar ze voor staan is zonder waarde wanneer niet de kracht en de motivatie van de personen achter het bedrijf wordt meegenomen.


Zeker is witlof niet het gewas wat het best rendeert, toch zijn er witloftelers die jaar op jaar witlof telen en daarmee hun klantengroep van mooie producten voorzien. Een belangrijk deel van deze witlof telers hebben een keus; witlof telen of hun persoonlijke toegevoegde waarde ergens anders inzetten. Ze kiezen voor het telen van witlof omdat ze er in geloven, omdat ze weten waar ze naar toe willen, omdat ze weten dat er klanten zijn en deze proberen te begrijpen. En om daar rendement uit te halen. Daar hoort ook uitbreiding bij. Niet alleen in witlof maar in alle vollegrondsgroentegewassen zijn bedrijven die uitbreiden. Soms met grote stappen, soms met kleine stappen. En dat doen deze ondernemers omdat ze er in geloven. Ze zijn trots en gaan hun eigen gang. Selles hoort bij deze groep, hij zal zich niet van de wijs laten brengen door een zwartgallige kijk op de wereld.

woensdag 16 mei 2012

Tegengestelde ontwikkelingen

De afgelopen tijd heb ik wat tijd gestopt in het bezoeken van vollegrondsgroentetelers die minder zichtbaar zijn in bestuurlijke structuren. Uit de gesprekken met deze telers blijkt meer en meer dat er een maatschappij met verschillende ontwikkelingen ontstaat. Deze ontwikkelingen, al zijn ze gerelateerd aan een sector, hebben nauwelijks nog wat met elkaar van doen.
Een van de telers waar ik mee sprak heeft afgelopen jaar voor een half miljoen geïnvesteerd in een verwerkingslijn voor zijn vollegrondsgroente. Ik wilde weten via welke telervereniging de GMO geregeld was en vroeg naar zijn afzet organisatie. Zijn opmerking was als volgt: “Mijn product lever ik niet via een afzetorganisatie. Ik wil zelf contact hebben met de klant. Contact via een afzetorganisatie zorgt er voor dat ik zelf geen beoordeling kan maken van de behoeftes van die klant.” Er was geen sprake van GMO ook hier was een duidelijke mening over: “Mijn bedrijfsvoering laat ik afhangen van de behoefte van de klant. Voorzie ik in de behoefte dan heb ik een boterham. Voldoe ik niet dan moet ik het anders doen of er mee stoppen. De klantbehoefte is voor mijn bedrijf leidend. Regels vanuit de overheid moeten zo  beperkt mogelijk zijn. Wanneer ik subsidie van de overheid incasseer zoals GMO, zal de overheid invloed krijgen op mijn bedrijfsvoering. Dat staat mijn relatie met mijn klant in de weg.” Dit is natuurlijk een erg principiële invulling van een liberaal wereldbeeld maar niet uniek. Er lopen meer telers rond die in deze trend denken. Opvallend is wel dat vollegrondsgroentetelers die op deze manier redeneren, stuk voor stuk professionele bedrijven hebben ontwikkeld.
Een ander ontwikkeling is de invloed van overheidsgeldstromen op projectenbureaus en de invloed van deze projectenbureaus op de geldstromen. De afhankelijkheid van geldstromen vanuit de overheid voor sommige projectenbureaus mag bekend zijn. De invloed die deze projectenbureaus hebben op de geldstromen is wellicht minder bekend. Besef dat in de rapportages van projecten gefinancierd door de overheid altijd aanbevelingen staan voor een vervolg. De lobby van deze projectenbureaus op de overheid is intensief want door financiën gedreven. De lobby van ondernemers die op eigen kracht ondernemen is beperkt. Het oordeel van een overheid wordt daardoor sterk beïnvloed door de partijen waar ze het meeste contact mee hebben. En voor je het weet ontstaat er een wereld waarin projectenbureaus en overheid elkaar bezig houden op basis van de geldstromen en zelf bedachte thema’s. En parallel daaraan zijn er ondernemers die in de markt een hele eigen ontwikkeling doormaken op basis van marktgedreven behoeften. Het is maar de vraag of de projectthema’s en de marktbehoeften dezelfde zijn. Of deze twee ontwikkelingen elkaar nog eens zullen raken valt sterk te betwijfelen.

Leefbaar platteland

Een persoonlijke bekentenis die niet heel vreemd zal zijn: ik ben een plattelandsjongen! De discussie over landschap volg ik dan ook intensief en heb daar mijn bedenkingen bij. Landschappelijke waarden op basis van historische zijn op nostalgische waarden gebaseerd i.p.v. op de noodzakelijke dynamiek in de woonomgeving. De discussie over landschapswaarden gaat meer en meer de vollegrondsgroentesector aan. De visie vanuit andere tuinbouwsectoren op landschappelijke invulling neigt steeds meer naar concentratie in gebieden die niets anders zijn dan (tuinbouw)industrieterreinen. In de strategische agenda van Greenport Nederland wordt ook sterk gefocust op concentratie van het tuinbouwcomplex. Als plattelandsjongen snap ik deze visie niet. Ik begrijp wel dat er voordelen zijn aan samenwerking in de directe omgeving op gebied van logistieke aan en afvoer maar deze concentratiefocus leidt tot ontvolking van het platteland. En dat is in Nederland al aan de hand!! Wat ik zie, als plattelander, is dat leefbaarheid van dorpen op het platteland gebaat is bij economische activiteit. Economische activiteit schept werkgelegenheid en zorgt dat plaatselijke middenstand een positie kan behouden. Bedrijven in het buitengebied zijn veelal agrarisch georiënteerd. Juist mogelijkheden scheppen voor bedrijven die bijvoorbeeld vollegrondsgroente telen in de natuurlijke omgeving, zorgt voor reuring. Bedrijvigheid zorgt voor mensen met een drive. Dit geeft uitstraling naar de rest van het dorp en zorgt voor geldstromen waar de middenstand van kan leven een dorpsleven bij kan gedijen. Als dorpswinkels verdwijnen wordt dat veroorzaakt door het verschuiven van werkgelegenheid naar verdere omgeving. Dit leidt tot reisgedrag waarmee ook reizen naar winkels veranderd. Het resultaat is slaap dorpen en een platteland dat wordt uitgehold.
Een concentratievisie vanuit een eenzijdig belang zorgt er voor dat er negatieve beeldvorming ontstaat over bedrijven in de agrarische sector. Deze bedrijven zijn in mijn ogen absoluut noodzakelijk om leefbaarheid op het platteland te behouden en ontwikkelen. Deze bedrijven zijn onderdeel van de tuinbouw en onderdeel van het economische blok dat de overlegstructuur Greenport Nederland zou moeten zijn. Een leefbaar platteland is onderdeel van de maatschappelijke verantwoording van de tuinbouw sector. Zorg er voor dat visies niet leiden tot negatieve processen die grote stukken van Nederland afsluiten van de rest van de economische maatschappij.

donderdag 23 februari 2012

R & D in de tuinbouw

Het topsectoren beleid en de ontwikkelingen rond productschappen dwingt de tuinbouw om na te denken over de structuur waarop de Research en Development georganiseerd is. Ik gebruik bewust de Engels termen voor onderzoek en ontwikkeling omdat R&D in bij internationaal opererende bedrijven veelal een afdeling is binnen de organisatie. Het hele topsectoren beleid van het ministerie van EL&I sluit aan bij deze R&D structuur; immers topsectoren zijn sectoren met veel innovatievermogen en moeten als zodanig ondersteund worden. Ondersteuning vindt plaats op basis van een bedrijfsleven agenda en inspanningen vanuit het bedrijfsleven. Juist de multinationals in topsectoren, als Shell, Unilever en Philips hebben via hun R&D afdelingen, met bijbehorend budget, een stevige agenda en een stevige basis voor financiering. Daar kan het ministerie van EL&I dan ook redelijk makkelijk de publieke gelden bovenop stapelen. Voor alle duidelijkheid de R&D afdelingen van multinationals draaien niet alleen op bedrijfsinkomsten. Ook daar wordt gebruik gemaakt van subsidieregelingen en fiscale verrekening.

In de tuinbouw zijn R&D afdelingen eigenlijk alleen bij de veredelingsbedrijven duidelijk aan te wijzen. Voor de rest van de tuinbouw wordt deels geleund op de Willie Wortels bij telers, toeleveranciers en groothandel. Structureel is de R&D in de tuinbouw collectief geregeld. Waarbij het bedrijfsleven voor het grootste deel leunt op productschapsgelden. De meer fundamentele R&D wordt gefinancierd door de overheid en wordt uitgevoerd door slechts één universiteit.
De uitkomst van de productschapdiscussie is nu nog niet te voorspellen maar dat het tuinbouwschap ophoudt te bestaan is duidelijk. Het orgaan dat eventueel overblijft zal in slechts zeer beperkte mate een rol hebben in de R&D voor de tuinbouw, als er al een orgaan overblijft. De topsectoren financiering wordt gestapeld op aantoonbaar innovatiegeld. Zoals gezegd is er wel innovatie, juist zeer veel op ondernemersniveau, maar aantoonbaar is dat lang niet altijd.

Daar staan we dan met zn allen! Hadden we het tot voor kort collectief onze R&D geregeld, zijn we nu ineens ridder te voet. Als we echt naar de toekomst willen kijken dan moet er in rap tempo een nieuwe structuur ontstaan waarbij een gestructureerde R&D aanpak wordt opgezet, aangestuurd door het bedrijfsleven. Daarbij is het absoluut noodzakelijk om de Willie Wortels op het podium te zetten en zowel in aanzien als in financiën te waarderen. Immers deze Willie Wortels zijn de basis voor de onderzoeken en ontwikkelingen waarmee op bedrijfsniveau rendement kan worden gehaald. En het topsectoren beleid is juist gericht op co-financiering van deze bedrijfsleven initiatieven. Helaas hebben we in de tuinbouw deze Willie Wortels te weinig in beeld als basis voor het topsectoren beleid. Vanuit de LTO Vakgroep vollegrondsgroente wordt gewerkt aan een plan om juist de scherpe inzichten van ondernemers te gebruiken om de agenda voor de komende jaren uit te voeren.

Ulko Stoll