woensdag 16 mei 2012

Tegengestelde ontwikkelingen

De afgelopen tijd heb ik wat tijd gestopt in het bezoeken van vollegrondsgroentetelers die minder zichtbaar zijn in bestuurlijke structuren. Uit de gesprekken met deze telers blijkt meer en meer dat er een maatschappij met verschillende ontwikkelingen ontstaat. Deze ontwikkelingen, al zijn ze gerelateerd aan een sector, hebben nauwelijks nog wat met elkaar van doen.
Een van de telers waar ik mee sprak heeft afgelopen jaar voor een half miljoen geïnvesteerd in een verwerkingslijn voor zijn vollegrondsgroente. Ik wilde weten via welke telervereniging de GMO geregeld was en vroeg naar zijn afzet organisatie. Zijn opmerking was als volgt: “Mijn product lever ik niet via een afzetorganisatie. Ik wil zelf contact hebben met de klant. Contact via een afzetorganisatie zorgt er voor dat ik zelf geen beoordeling kan maken van de behoeftes van die klant.” Er was geen sprake van GMO ook hier was een duidelijke mening over: “Mijn bedrijfsvoering laat ik afhangen van de behoefte van de klant. Voorzie ik in de behoefte dan heb ik een boterham. Voldoe ik niet dan moet ik het anders doen of er mee stoppen. De klantbehoefte is voor mijn bedrijf leidend. Regels vanuit de overheid moeten zo  beperkt mogelijk zijn. Wanneer ik subsidie van de overheid incasseer zoals GMO, zal de overheid invloed krijgen op mijn bedrijfsvoering. Dat staat mijn relatie met mijn klant in de weg.” Dit is natuurlijk een erg principiële invulling van een liberaal wereldbeeld maar niet uniek. Er lopen meer telers rond die in deze trend denken. Opvallend is wel dat vollegrondsgroentetelers die op deze manier redeneren, stuk voor stuk professionele bedrijven hebben ontwikkeld.
Een ander ontwikkeling is de invloed van overheidsgeldstromen op projectenbureaus en de invloed van deze projectenbureaus op de geldstromen. De afhankelijkheid van geldstromen vanuit de overheid voor sommige projectenbureaus mag bekend zijn. De invloed die deze projectenbureaus hebben op de geldstromen is wellicht minder bekend. Besef dat in de rapportages van projecten gefinancierd door de overheid altijd aanbevelingen staan voor een vervolg. De lobby van deze projectenbureaus op de overheid is intensief want door financiën gedreven. De lobby van ondernemers die op eigen kracht ondernemen is beperkt. Het oordeel van een overheid wordt daardoor sterk beïnvloed door de partijen waar ze het meeste contact mee hebben. En voor je het weet ontstaat er een wereld waarin projectenbureaus en overheid elkaar bezig houden op basis van de geldstromen en zelf bedachte thema’s. En parallel daaraan zijn er ondernemers die in de markt een hele eigen ontwikkeling doormaken op basis van marktgedreven behoeften. Het is maar de vraag of de projectthema’s en de marktbehoeften dezelfde zijn. Of deze twee ontwikkelingen elkaar nog eens zullen raken valt sterk te betwijfelen.

Leefbaar platteland

Een persoonlijke bekentenis die niet heel vreemd zal zijn: ik ben een plattelandsjongen! De discussie over landschap volg ik dan ook intensief en heb daar mijn bedenkingen bij. Landschappelijke waarden op basis van historische zijn op nostalgische waarden gebaseerd i.p.v. op de noodzakelijke dynamiek in de woonomgeving. De discussie over landschapswaarden gaat meer en meer de vollegrondsgroentesector aan. De visie vanuit andere tuinbouwsectoren op landschappelijke invulling neigt steeds meer naar concentratie in gebieden die niets anders zijn dan (tuinbouw)industrieterreinen. In de strategische agenda van Greenport Nederland wordt ook sterk gefocust op concentratie van het tuinbouwcomplex. Als plattelandsjongen snap ik deze visie niet. Ik begrijp wel dat er voordelen zijn aan samenwerking in de directe omgeving op gebied van logistieke aan en afvoer maar deze concentratiefocus leidt tot ontvolking van het platteland. En dat is in Nederland al aan de hand!! Wat ik zie, als plattelander, is dat leefbaarheid van dorpen op het platteland gebaat is bij economische activiteit. Economische activiteit schept werkgelegenheid en zorgt dat plaatselijke middenstand een positie kan behouden. Bedrijven in het buitengebied zijn veelal agrarisch georiënteerd. Juist mogelijkheden scheppen voor bedrijven die bijvoorbeeld vollegrondsgroente telen in de natuurlijke omgeving, zorgt voor reuring. Bedrijvigheid zorgt voor mensen met een drive. Dit geeft uitstraling naar de rest van het dorp en zorgt voor geldstromen waar de middenstand van kan leven een dorpsleven bij kan gedijen. Als dorpswinkels verdwijnen wordt dat veroorzaakt door het verschuiven van werkgelegenheid naar verdere omgeving. Dit leidt tot reisgedrag waarmee ook reizen naar winkels veranderd. Het resultaat is slaap dorpen en een platteland dat wordt uitgehold.
Een concentratievisie vanuit een eenzijdig belang zorgt er voor dat er negatieve beeldvorming ontstaat over bedrijven in de agrarische sector. Deze bedrijven zijn in mijn ogen absoluut noodzakelijk om leefbaarheid op het platteland te behouden en ontwikkelen. Deze bedrijven zijn onderdeel van de tuinbouw en onderdeel van het economische blok dat de overlegstructuur Greenport Nederland zou moeten zijn. Een leefbaar platteland is onderdeel van de maatschappelijke verantwoording van de tuinbouw sector. Zorg er voor dat visies niet leiden tot negatieve processen die grote stukken van Nederland afsluiten van de rest van de economische maatschappij.

donderdag 23 februari 2012

R & D in de tuinbouw

Het topsectoren beleid en de ontwikkelingen rond productschappen dwingt de tuinbouw om na te denken over de structuur waarop de Research en Development georganiseerd is. Ik gebruik bewust de Engels termen voor onderzoek en ontwikkeling omdat R&D in bij internationaal opererende bedrijven veelal een afdeling is binnen de organisatie. Het hele topsectoren beleid van het ministerie van EL&I sluit aan bij deze R&D structuur; immers topsectoren zijn sectoren met veel innovatievermogen en moeten als zodanig ondersteund worden. Ondersteuning vindt plaats op basis van een bedrijfsleven agenda en inspanningen vanuit het bedrijfsleven. Juist de multinationals in topsectoren, als Shell, Unilever en Philips hebben via hun R&D afdelingen, met bijbehorend budget, een stevige agenda en een stevige basis voor financiering. Daar kan het ministerie van EL&I dan ook redelijk makkelijk de publieke gelden bovenop stapelen. Voor alle duidelijkheid de R&D afdelingen van multinationals draaien niet alleen op bedrijfsinkomsten. Ook daar wordt gebruik gemaakt van subsidieregelingen en fiscale verrekening.

In de tuinbouw zijn R&D afdelingen eigenlijk alleen bij de veredelingsbedrijven duidelijk aan te wijzen. Voor de rest van de tuinbouw wordt deels geleund op de Willie Wortels bij telers, toeleveranciers en groothandel. Structureel is de R&D in de tuinbouw collectief geregeld. Waarbij het bedrijfsleven voor het grootste deel leunt op productschapsgelden. De meer fundamentele R&D wordt gefinancierd door de overheid en wordt uitgevoerd door slechts één universiteit.
De uitkomst van de productschapdiscussie is nu nog niet te voorspellen maar dat het tuinbouwschap ophoudt te bestaan is duidelijk. Het orgaan dat eventueel overblijft zal in slechts zeer beperkte mate een rol hebben in de R&D voor de tuinbouw, als er al een orgaan overblijft. De topsectoren financiering wordt gestapeld op aantoonbaar innovatiegeld. Zoals gezegd is er wel innovatie, juist zeer veel op ondernemersniveau, maar aantoonbaar is dat lang niet altijd.

Daar staan we dan met zn allen! Hadden we het tot voor kort collectief onze R&D geregeld, zijn we nu ineens ridder te voet. Als we echt naar de toekomst willen kijken dan moet er in rap temp een nieuwe structuur ontstaan waarbij een gestructureerde R&D aanpak wordt opgezet, aangestuurd door het bedrijfsleven. Daarbij is het absoluut noodzakelijk om de Willie Wortels op het podium te zetten en zowel in aanzien als in financiën te waarderen. Immers deze Willie Wortels zijn de basis voor de onderzoeken en ontwikkelingen waarmee op bedrijfsniveau rendement kan worden gehaald. En het topsectoren beleid is juist gericht op co-financiering van deze bedrijfsleven initiatieven. Helaas hebben we in de tuinbouw deze Willie Wortels te weinig in beeld als basis voor het topsectoren beleid. Vanuit de LTO Vakgroep vollegrondsgroente wordt gewerkt aan een plan om juist de scherpe inzichten van ondernemers te gebruiken om de agenda voor de komende jaren uit te voeren.

Ulko Stoll

dinsdag 18 oktober 2011

Grip houden


We worden geconfronteerd met een nieuwe afkorting. Dit keer eentje die gevolgen heeft voor de manier waarop onderzoek wordt uitgevoerd en onderzoeksgelden worden uitgegeven.
Iedereen die een beetje met onderzoeksaansturing te maken heeft, praat momenteel over PPS. PPS staat voor Publiek Private Samenwerking. Alle onderzoeks- en innovatietrajecten moeten uitgevoerd worden in PPS’en. Dit PPS-denken komt voort uit de focus van de overheid op de topsectoren. 

Voor de land- en tuinbouw geld dat het ministerie van EL&I bedacht heeft dat deze sectoren behoren tot de top van de Nederlandse economie. Daar wordt vanuit het ministerie dan ook geld in gestoken. Wees gerust, het is bestaand geld dat opnieuw verdeeld wordt en per saldo is het minder dan voorheen.

Het ministerie is eveneens van mening dat de topsectorenagenda moet worden uitgevoerd in samenwerking binnen een nieuwe gouden driehoek: overheid, onderwijs en bedrijfsleven. Je voelt hem al aan: uiteraard alleen dan wanneer het bedrijfsleven meefinanciert.
Een mooie beleidslijn waarmee de aansluiting bij ontwikkelingen bij ondernemers goed zou kunnen worden geborgd. Echter in de uitwerking zitten een aantal zorgelijke ontwikkelingen.

De financiën die de overheid heeft geregeld hebben al een bestemming: WUR. De thema’s die zijn benoemd zijn ook al vastgelegd in de topteamagenda. Het is logisch dat agenda’s van topteams abstract en generiek zijn geformuleerd. Immers, topsectoren beslaan meerdere deelsectoren en meerdere ketenschakels.De kans is echter reëel dat de abstracte topsectoragenda nu wordt omgezet in een abstracte onderzoeksagenda. Of daar ontwikkelingen op bedrijfsniveau bij aansluiten is maar de vraag. De beweging die nu gemaakt wordt lijkt sterk op een gouden driehoek waarbij overheid bepaalt, bedrijfsleven betaalt en universiteit het geld opmaakt.

In de ideale wereld zouden ondernemers aan het stuur moeten zitten voor de uitgaven van zowel bedrijfsleven als overheid. De overheid moet dan faciliteren en eventueel stimuleren. Uiteraard hoort er bij besteding van dit soort gelden marktwerking te zijn. Monopolisme in onderzoek zou een liberaal getint kabinet niet moeten willen.

Het kan nog wel, immers er is een structuur waarbij ondernemers intensief meedenken in onderzoeksbesteding en ook verantwoording nemen voor deze bestedingen. Dit geldt in ieder geval voor de vollegrondsgroente. De financiele verantwoordelijheid zullen de telers in deze structuur nooit uit handen geven. Collectief geld kan immers maar één keer worden uitgegeven.

donderdag 15 september 2011

Ondernemers in topsector

Bijzondere wereld waar we inzitten; blijkbaar is er ergens een licht gaan branden waardoor de tuinbouw ineens door Jan en alleman omarmd wordt als topsector. Da’s mooi want dat zou kunnen betekenen dat er ruimte ontstaat voor ondernemers in de tuinbouw. Maar vervelend bijverschijnsel is het ontstaan van allerlei overlegstructuren die van zichzelf vinden dat ze de tuinbouw moeten ondersteunen, structureren, faciliteren, profesionaliseren en meer van deze goed bedoelde acties. Het vervelende is dat er structuren ontstaan die elkaar voor de voeten lopen en daarvoor uiteraard financien nodig hebben. Daar komt dan nog bij dat bestaande structuren ook weer de noodzakelijke dwang hebben om zichzelf te bewijzen. Gevolg is dat partijen naar elkaar gaan kijken wanneer het om financien gaat en zelf de weg zoeken wanneer profilering beter past. Recent voorbeeld is de houding van Greenport Holland om het PT als heffingsinstantie te gebruiken, waarna Greenport Holland de geinde gelden besteedt aan haar eigen agenda. Een foute benadering! Immers dit past zeker niet in de manier waarop heffingsbetalers over het PT denken.

De recente ondernemerspeiling van het PT wijst naast een nogal negatieve houding t.a.v. het PT uit, dat er wel degelijk een aantal zaken belangrijk zijn die collectief geregeld moeten worden. De houding t.o.v. beslisstructuur binnen het PT geeft aan dat deze structuur maar zeer beperkt vertrouwd wordt. Er is hieruit maar een goede conclusie te trekken: beslissingen over bestedingen van collectief geld moeten gedaan worden door degene die deze gelden opbrengen. Er is immers wel degelijk draagvlak voor iets collectiefs. Maar dan wel op basis van eigen zeggenschap en grip op eigen ingebrachte gelden. Juist de organisatie hiervan ligt bij de dragende organisaties. Immers dragende organisaties zijn private collectieve organisaties die zich continu moeten verantwoorden aan leden. Juist in deze noodzaak tot verantwoorden licht de verplichting om de eigen overheid aan te sturen. Een productschap immers, is wel degelijk een overheid, ook al is dit profiel een half jaar geleden ten onrechte om zeep geholpen.

Wanneer de dragende organisaties verantwoording nemen voor aansturing van de productschappen zal ook duidelijk worden dat er een beperkt aantal productschaptaken noodzakelijk is en een groot deel van de taken de verantwoording van de dragende organisatie zelf is. De vollegrondsgroente sector geeft, tegen de stroom in, al jaren aan dat het productschap slechts een beperkt aantal taken moet uitvoeren die door de heffingsbetalers worden aangegeven. Hoe zo’n schap er uit moet zien is invulling.

De portemonnee aan nog weer een ander orgaan geven past niet in het respect dat ondernemers in de tuinbouw verdienen. En juist dit ondernemerschap zorgt er voor dat de tuinbouw een topsector is.

Ulko Stoll

zondag 3 juli 2011

Vieze derrie

Het begrip stinkend rijk vindt zijn basis in mest. Tot zo’n 70 jaar geleden was iemand die in bezit was van mest een rijk man. Zo iemand noemde men stinkend rijk. Immers mest was een belangrijk ingrediënt om planten maximaal te laten groeien en dat was de basis voor voldoende voeding. Inmiddels zijn we zover dat mest wordt gezien als afval! De huidige eigenaar die van mest af wil betaalt grif geld om van dit afval af te komen. We hebben het overigens wel over andere mest; 80 jaar geleden was mest mooie vaste uitgerijpte stalmest met zowel organische stof als een hele rits aan mineralen en spore elementen. Tegenwoordig is het gros van de mest vieze derrie. Voor drijfmest is immers nauwelijks een betere omschrijving te vinden.

Blijkbaar hebben we in de afgelopen 80 jaar een afslag genomen waarin een waardevol goed is verworden tot een afval product. Je kunt je afvragen of de telers van planten de juiste partij zijn om deze vieze derrie te verwerken. Het antwoord is simpel.
De teler van planten zoals de vollegrondsgroenteteler wil mineralen hebben om zijn gewassen zo goed moegelijk te laten groeien. Deze mineralen moeten in de juiste hoeveelheid en op het juiste moment beschikbaar zijn. Daarvoor zijn diverse slimme meststoffen die in verschillende vorm worden toegediend of op een of andere manier langzaam vrij komen. In ontwikkeling zijn hele slimme meststoffen met een belofte waarin grote efficiëntie wordt gerealiseerd en die daarbij nauwelijks emissie opleveren.
Het is spijtig dat moderne meststoffen kunstmatig worden gefabriceerd terwijl in Nederland een overvloed aan goede mineralen is die toegediend wordt zonder dat deze efficiënt benut worden. Drijfmest is inefficiënte bemesting. De vollegrondsgroenteteler wil goede mest en die mag van dierlijke oorsprong zijn maar dan moeten mineralen in vaste gehaltes op het goede moment vrij komen.

Blijft de vraag wie neemt initiatief om drijfmest te verwerken tot kwalitatief goede mest? Het perspectief om mest als afval te zien zorgt er voor dat de dierlijke sector niet in staat is om een innovatie in te zetten waarmee ze van deze afvalstof weer een waardevol (bij)product kunnen maken.
Feitelijk zouden telers van planten niet moeten accepteren dat ze de afvalproducten van de veehouderij verwerken. Pas wanneer iedereen gaat zien dat drijfmest inderdaad vieze derrie is dan wordt het mogelijk om te werken aan een waardevol mestproduct. Wellicht worden de veehouders dan weer net als vroeger “stinkend rijk”.

Ulko Stoll

woensdag 20 april 2011

MVO

MVO maatschappelijk verantwoord ondernemen is blijkbaar de manier waarop we moeten ondernemen. Ik ben nog erg op zoek naar het verschil tussen MVO en duurzaam. Tot een paar jaar geleden het begrip duurzaam gekaapt door de milieu organisaties en daarmee vooral gefocused was op het beginsel planet, maar daar is ook weer een verandering in gekomen.
In mijn ogen dekt beide begrippen dezelfde houding t.o.v. de samenleving. Duurzaam is iets wat vanuit maatschappelijk perspectief wordt bekeken en MVO een begrip vanuit het perspectief van het bedrijfsleven. MVO is actueel en dat geldt juist in de vollegrondsgroentesector. Vollegrondsgroentetelers zijn zich volledig bewust van de omgeving, ze zijn goed werkgever, leveren betrouwbare, lekker producten en weten dat ze onderdeel zijn van de plattelandsgemeenschap. Er zijn legio voorbeelden van vollegrondsgroentetelers die hun energie inzetten t.b.v. de gemeenschap, als trainer of voorzitter van de voetbalclub, als klankbord in werkgroepen van de gemeente, als sponsor van een sportveld, ik kan nog heel veel voorbeelden noemen. Deze vollegrondsgroentetelers weten dat ze een beslag leggen op de ruimte in de gemeenschap daarvoor leveren ze iets terug. Ze verantwoorden de maatschappelijk rol die ze hebben in zo’n plattelandsgemeenschap.

Ook de werkgeversrol is er een van verantwoording afleggen. Arbeidstijden binnen de CAO, betaling volgens CAO, niet alleen werkgever maar ook huisbaas en deze rol als huisbaas uitvoeren zoals je zelf bewoner zou willen zijn. En daarbij ook zorgen voor ontspanning voor de medewerkers en geen overlast voor omstanders. Besef daarbij dat deze medewerkers er voor zorgen dat winkels op het platteland in stand blijven. De verantwoording naar werknemers wordt gewaardeerd, dat blijkt door de vaste groep medewerkers die vollegrondsgroentetelers om zich heen hebben verzameld. Ieder jaar komt de vaste groep uit Polen, Litouwen, Roemenie, Bulgarije enz. terug om te werken en wonen bij hun eigen vollegrondsgroenteteler. De verantwoording van deze ondernemer naar mensen en omgeving is continu punt van aandacht. Op http://www.youtube.com/watch?v=OAii3NBR3tY zijn diverse voorbeelden te zien van Maatschappelijke verantwoording naar de omgeving in de vollegrondsgroentesector.

Verantwoording nemen en afleggen aan de maatschappij is daarmee onderdeel geworden van de bedrijfsvoering. Maar wat heb je eraan als de overheid zijn maatschappelijke verantwoording niet neemt en haar handelen af laat hangen van opiniepeilers waardoor er geen consistent beleid kan worden gevoerd. Het vrije verkeer van personen en goederen in Europa is als overheidsbeleid inmiddels overruled door korte termijn sentimenten. Hoe kan een ondernemer zijn maatschappelijke verantwoording nemen als de overheid niet de verantwoording neemt om meer dan drie maanden constant beleid te voeren rond tewerkstellingsvergunningen.

Ulko Stoll